Deze
handgetekende kaart, waarop behalve het gedeelte Texel (links) allerlei werkzaamheden
bij de droogmakerij van de Zijpe zijn geschetst, is op grond van topografische
indicaties te dateren in 1552 en wordt toegeschreven aan Jan van Scorel, die
zich in deze periode met de droogmakerij heeft beziggehouden. Het origineel
meet 80 x 240 cm en bevindt zich in het Algemeen Rijksarchief, coll. Hingman,
nr. 2486. Het gedeelte met Texel en Wieringen is in 1976 door Het Open Boek
in kleur gereproduceerd en uitgegeven samen met een toelichtingsboekje Ballade
van Texel.
N
z
Portret
Jan van Scorel in 1560 op 65-jarige leeftijd,
gemaakt door Anthonie Mor (paneel 56 cm)
H
e n k S c h o o r l
Texel in het midden van de 16de eeuw
Het eiland beschreven aan de hand van de kaart van Jan van Scorel
uit 1552
Tekst ontleend aan Ballade van Texel toelichting bij de reproductie van
een kaartfragment.
I
N H O U D
Details op het gereproduceerde gedeelte van de kaart
Het eiland Huisduinen
Wieringen
Het Marsdiep
Scheepvaart en visserij
De ballade van Texel
Duinen, dijken en bedijkingen
De polder Walenburg
Het ‘binnenland’
Dorpen en buurtschappen, kerken en huizen
De dorpen afzonderlijk
De Westen
Den Burg
De Waal
Oosterend
De Koog
Den Hoorn
De kapel op de Hogeberg
Details op het gereproduceerde gedeelte van de kaart
Het in kleur gereproduceerde gedeelte van de kaart laat duidelijk de werkwijze
van de maker zien. De eilandvormen zijn groot gehouden en er is een prettige
harmonie bereikt in de diepten en ondiepten suggererende nuancen van het lichte
zeeblauw, waar de banken en buitendijkse schorren doorheen schemeren (hier en
daar met ‘waert’ aangeduid), de zandige kleur van strandvlakten en
duinen, die met een schetsmatige heuvelsignatuur zijn aangegeven, en de okertinten
van het bewoonde landschap. Er is niet gestreefd naar detaillering van polder-
of verkavelingsstructuur.
De reproductie omvat het gedeelte waarop de eilanden Huisduinen, Texel en Wieringen
in hun maritiem landschap tussen Noordzee en Zuiderzee zijn afgebeeld.
Het eiland Huisduinen
Wat de vormgeving van het eiland Huisduinen betreft: een hoefijzer van duinen
beschermt zonder maar de geringste aanduiding van de drie polders Oudeland,
Koog en Nieuwland het ‘binnenland’. De noorderduinen zijn te zwaar
aangezet, maar het noord-westen vertoont een duinversmalling, die reëel
is en ook op kaarten van Sgroten, Van Deventer en Laurens Pietersz. voorkomt.
Het dorp is te noordelijk weergegeven; van Helderbuurt achter de noordelijke
duinen is geen spoor te bekennen.
De zuidduinen zijn te gering van omvang getekend, maar de kaart geeft wel ten
zuiden van het eiland een losstaand duincomplex weer, dat als Oogduinen bekend
stond. De tussenliggende vlakte is omstreeks 1600 door de bekende Amsterdamse
koopman Isaac Le Maire bedijkt.
Het geheel is zeer globaal en vlot neergezet en ingekleurd, maar daarom niet
ondoordacht. In dit globaal geheel valt de aan St. Nicolaas gewijde dorpskerk
en zijn omgeving op door een met grotere precisie weergegeven situatie. Het
silhouet van de kerk komt evenals bij Callantsoog nauwkeurig overeen met de
kustverkenningen der zestiende-eeuwse stuurliedenboeken. De huisjes van Kerkebuurt
zijn onder bescherming en half weggedoken achter hoger duinlandschap getekend.
Ten zuiden van de kerk suggereert een rijtje huisjes dat zich oostwaarts uitstrekt
‘Antgebuurt’. In 1509-1510 is de voorganger van het hier getekende
dorpskerkje verloren gegaan. De herbouw dateert van 1513; voor de nieuwe kerk
goot de Amsterdamse klokgieter Goebel Sael in 1537 een nieuwe kerkklok, die
bij elke nieuwe landinwaartse herbouw van de kerk meeverhuisde en nog in de
toren van de huidige Huisduiner kerk hangt.
In 1599 staat de kerk volgens een kaart van Gerrit Dirksz. Langendijck [Alg.
Rijksarch. Coll. Hingman nr. 2478] gedeeltelijk met zand overstoven in de buitenste
duinreep en gaat weldra verloren.
Op het noorderstrand staan twee bakens, die in één lijn met de
uiterton buitengaats de invaarroute van het Spanjaardsgat aangeven. Op enkele
zeeverkenningen en kaarten uit de eerste helft en het midden van de zestiende
eeuw komt deze situatie op gelijke wijze voor.
De gedetailleerde weergave van de constructie van deze kustbakens stemt in vorm
overeen met simpeler weergegeven silhouetten op deze zeekaarten. In deze en
enigszins afwijkende vormen kwamen soortgelijke bakens langs de Nederlandse
en Duitse kusten voor.
Wieringen
Meer nog dan Texel is Wieringen zowel naar vorm als wat betreft de verspreiding
van de dorpen over het eilandoppervlak buiten elke reële proportie getekend.
Op de ovale pannenkoek zijn de oude parochiedorpen Westerland, Hippolytushoef,
Stroe en Oosterland vrij willekeurig geplaatst; op de oostelijke hoek is Den
Oever in verhouding onwaarschijnlijk groot voorgesteld. Uit de verklaringen
van de ‘Informacie’ van 1514 blijkt, dat er vier parochiekerken op
het eiland waren, Den Oever wordt zelfs niet genoemd. Door achteruitgang in
bevolking waren de parochies noodlijdend.
In drie van de vier dorpen was het woningbestand sedert 1500 met 10% verminderd,
in Hippo1ytushoef zelfs met 20%, terwijl in deze plaats van de resterende huizen
25%, en in Oosterland 35% armlastig was. Alleen landbouw wordt als middel van
bestaan vermeld.
In tegenstelling daarmee toont de kaart Den Oever als een welvarender dorp met
een grote kerk. Door toenemende betrokkenheid bij de scheepvaart op Amsterdam
kan het strategisch liggende dorp ten kost van Hippolytushoef en Oosterland
in betekenis zijn toegenomen, maar de grote kerk, die hier is getekend, zal
een misverstand zijn; Van Cuyck zag in de 18e eeuw ‘een slegt houten kerkje’.
Niet overvallen door de watergeuzen, maar meer als gevolg van algemene verwaarlozing
bleek in 1606 herstelwerk aan de vier oude kerken nodig, vooral aan die van
Hippolytushoef en aan de toren van Wester1and. Wieringen zou slechts de helft
of tweederde kunnen financieren. In oktober 1674 gaven Gecommitteerde Raden
opdracht de puinhopen van de ingestorte tufstenen kerk van Hippolytushoef te
verkopen en verleenden in november 1676 subsidie voor nieuwbouw, waarbij gedeeltelijk
op de fundamenten van de oude kerk werd herbouwd zoals Van Cuyck bij bezoek
constateerde. Van Cuyck zag ook in de late 18e eeuw het oude tufstenen kerkje
van Westerland, dat hij zeer bewonderde. Hij beschreef het kerkje van Stroe
als een ‘arm kapelletje’.
Aan de zuidzijde van het eiland zorgt volgens de kaart een watermolentje voor
de ontwatering van een kleine bedijking als voorloper van het Wieringer Nieuwland,
zoals dit ook is afgebeeld op een gedetailleerde zestiende-eeuwse kaart [Coll.
Hingman, nr .2744]. Dezelfde kaart bevestigt het brede strand aan de noordzijde
zoals dat op onze kaart is afgebeeld met de notitie: ‘de drooghe waert
ende is een strandt’. Daarentegen is de afbeelding van diep water aan de
zuidzijde direct onder de eilandkust in de zestiende eeuw nog niet juist.
Het Marsdiep
Van het Marsdiep, zoals dat op deze kaart met een tweetal tonnen in de buitendelta
en een ton dieper het zeegat in is afgebeeld, was in het midden van de zestiende
eeuw het ongeveer west-oost gerichte Spanjaardsgat de voornaamste toegangsgeul.
Bij het binnenvaren hielden de schepen om ondiepte ten zuiden van Texel te vermijden
dicht op de noordelijke oever van Huisduinen aan, zoals uit zeilaanwijzingen
uit die jaren is op te maken. In 1584 geeft Lucas Jansz. Waghenaer en in 1585
Albert Haeyen op hun betreffende kaarten aanwijzingen voor de vaart door het
Marsdiep met dieptelodingen in vademen, waaruit blijkt, dat ten noorden van
Huisduinen een kleine kil met een diepte van 15 vademen voorkomt, maar dat noord-oostelijk
van het eiland, benoorden de Balg naar Wieringen, over een grotere lengte diepten
van 14 en 15 vadem (a 1.70 m) werden gelood. Deze geul, die samenhing met een
verdieping en toename in betekenis van Texelstroom in noord-oostelijke richting,
is op de kaart ten oosten van de lanen (de zandbank) ten zuiden van Texel met
een donkerder blauwe tint aangegeven. Dat in deze geul ter plaatse een ton de
invaart van de Balg (die slechts voor kleine scheepjes toegankelijk was) zou
markeren is niet waarschijnlijk. Zowel op een verkenning van het Marsdiep in
1536 door een spionagescheepje van de Engelse koning Hendrik VIII als op de
kaarten van Waghenaer (1584) en Haeyen (1585), ligt de ton oostelijker in de
vaargeul en wel daar waar de vaart naar de Zuiderzee om Wieringen heen zuidwaarts
afbuigt bij de toegang tot Dove Balg-Oude Vlie. Op de kaart is een derde ton
benoorden de Noorderhaaksbank getekend in de geul,
die door Albert Haeyen als 'Het Landsdiep van Texel' wordt aangeduid en op diens
kaart van 1585 al dicht onder de Texelse wal is afgebeeld. In het laatst van
de zestiende eeuw is dit gat verland door de ‘verheling’ van de Noorderhaaksbank
aan Zuidwest-Texel. De geul kon in de tweede helft van de zestiende eeuw nog
slechts door vissersscheepjes worden gebruikt en heeft ook bij Waghenaer (1584)
geen betonning meer.
Ook een scheepskaart uit het midden van de zestiende eeuw geeft bij een nauwkeurige
aanwijzing voor de invaart van het Marsdiep in deze geul geen betonning. Mogelijk
berust de plaatsing van de ton in dit gat op onze kaart op een vroegere waarneming
of is deze overgenomen van een vroegere (onbekende) kaart.
De tonnen zijn conisch van vorm; de ankerkettingen, waarmee de tonnen aan zware
stenen op de bodem waren verbonden en op hun plaats werden gehouden, waren aan
de puntige zijde bevestigd, terwijl de brede en afgeplatte zijde boven water
stak. Lucas Jansz. Waghenaer beschrijft deze tonnen in zijn Spieghel der Zeevaerdt
(1584-1585) als volgt: ‘Op alle de stroomen van Hollandt, Vrieslandt ende
Zeelandt sijn de tonnen aen ’t opperste rondt ende breedt ende afgaende
aen ’t neerste eynde smal ende scherp ..., (zij) sijn swert ghepect ofte
gheteert...’
Scheepvaart en visserij
In het Marsdiep en voor anker op de ree van Texel zijn een viertal driemastschepen
getekend, die met de naam ‘volschip’ of ‘razeil’ werden
aangeduid. Deze driemasters waren in het midden van de zestiende eeuw de meest
voorkomende koopvaarders; zij vertoonden, als te zien is aan de koopvaarder
in het Marsdiep, reeds een platte spiegel, waarin zich de ontwikkeling naar
de zeventiende-eeuwse spiegelschepen baanbreekt. De scheepsvorm is daarbij vergeleken
nog ouderwets. Zij hebben twee dekken in de opbouw van het achterkasteel en
een sterk overhangend voorkasteel, waarin de ontwikkeling vanuit de middeleeuwse
kogge herkenbaar is. Het zestiendeeeuwse driemastschip had een grote mast midscheeps
als de oude kogge; de bezaanmast was vrij ver naar achteren op de kampagne geplaatst.
De fokke- en grote mast hadden een mars en een korte streng; beide masten voerden
een groot razeil en een klein marszeil, terwijl de bezaanmast een driehoekig
lateinzeil voerde.
In 1671 beschreef Nicolaas Witsen dit scheepstype als van ‘voor handerhalf
hondert jaar’. De opkomst van dit soort schepen kan omstreeks 1520 geplaatst
worden. Naar de scheepsbekleding van aaneensluitende gangen en gebreeuwde naden,
de zogenaamde karveelbouw, waardoor in tegenstelling tot de dakpansgewijze overnaadse
constructie een gladde scheepshuid ontstond, werden schepen van dit type aangeduid
als karvelen. Op de tekening is niet te zien welke methode is toegepast.
Zuidelijker op de ree en tegen de hoge gronden van Wieringen zijn twee boeiers
afgebeeld, waarvan één een hoger opbouwtje dan de ander heeft
en bovendien een kleine bezaanmast. Boeiers waren kleinere binnenvaartuigen
met één mast en spriettuig, die wegens grotere diepgang niet meer
zo geschikt waren voor de vaart over de Wadden en een ontwikkeling naar een
type met twee masten te zien gaven, zoals op de tekening blijkt. Ten noorden
en oosten van Oosterend zijn een viertal kleinere schuiten met één
mast getekend, scheepjes die gewoonlijk niet meer dan 4¼ à 5 voet diepgang
hadden en speciaal als wadzeilers (Ueberwattsegler) werden gebruikt. Onder de
naam van ‘hoeien of hoedboten’ namen zij aan de kleine scheepvaart
deel.
Op de Noordzee zijn pinken, de voorlopers van de bommen, bezig met zeevisserij.
Zij zijn zeilend en met gestreken mast
en zeil afgebeeld; sommige bemanningen zijn bezig hun net in te halen, waarschijnlijk
staande haringnetten, want uit de strandvisserij met de zegen aan de zuidkust
van Texel blijkt dat het haringseizoen was aangebroken. Enkele vletten en pinken
liggen tegen het strand getrokken, terwijl voor de kust van De Westen netten
te drogen staan, een visser een mand sjouwt en een harington op het strand staat
om deze bedrijvigheid te typeren. Een gevelsteen op Vlieland uit 1590 geeft
dit type pink met razeil duidelijk weer [afgebeeld in het Waddenboek,1976].
De
ballade van Texel
Ook hier geldt dat slechts een impressie van het eiland in zijn totaliteit
is gegeven; lokale situaties zijn met uitzondering van de kerken en hun omgeving
in grote trekken weergegeven. Toch is deze impressie als vertelling juist. En
dat niet omdat alle details topografisch juist zouden zijn genoteerd. Er zijn
accenten gelegd, sommige details benadrukt en andere verwaarloosd. Daarom is
deze impressie, in vorm en kleur zo poëtisch, te vergelijken met een ballade.
Als we de bedoeling van de gehele kaart zo hebben begrepen, dat de bewoonde
en gecultiveerde drie noordelijke eilanden Huisduinen, Wieringen en Texel tegenover
de nog te ontginnen kweldervlakte ten zuiden daarvan werden gesteld, dan is
daarin de ballade van Texel een fragment, dat met kennelijk plezier is
gemaakt. Het bekoorlijke Texelse landschap geeft bij het bekijken van de kaart
in zijn afwisseling van glooiende diluviale gronden, de hoge rug tussen Den
Hoorn/De Westen en Oosterend als ruggengraat van de eilandstructuur, met de
westelijke beschermende duinen, de bedijkte polders en de onbedijkte kwelders
en aanwassen, met de hooggelegen dorpen, eenzelfde indruk als de bezoeker krijgt,
wanneer hij door het Texelse landschap rijdt. De betekenis van de kaart is:
er is gekeken naar het landschap. Het is met vlotte penseelstreken in flauwe
glooiingen geaquarelleerd, waarbij de Hogeberg als markant en hoogste punt extra
is benadrukt. De duinen, dijken, kerken en entourage zijn raak getypeerd zonder
dat men kan zeggen, dat elke trapgevel, elke boerderij, elk wiel in de dijk
fotografisch juist is geplaatst.
Duinen, dijken en bedijkingen
Het Texelse polderland, van de hoge gronden neerglooiend naar de kwelders op
zeeniveau, werd van de duinen bij de Koog in het noorden, langs de noord-, oost-,
en zuid-oostzijde beschermd door een aaneengesloten dijk, die sedert de late
middeleeuwen als resultaat van talrijke aaneensluitende kleinere bedijkingen
tot stand gekomen was. Lage gedeelten tussen hogere kernen hadden de zee gelegenheid
gegeven diep landinwaarts door te dringen, maar waren afgesloten door de omringdijk.
De talrijke poldertjes loosden door duikers of ‘pompen’ en sluisjes
op buitendijkse wadgeulen. Een poging om de noordelijke kweldervlakte (op de
kaart aangeduid als ‘waert’) te bedijken was mislukt; op korte aanhechtingsstukken
na was de dijk weggeslagen. De kaart laat zien dat ten noorden van De Koog,
waar op de kaart het mannetje bij de ‘Glijshorn’ loopt, de duinen
naar het oosten buigen en daar overgaan in ‘de Nieuwe Dijk’. Het duincomplex
buitendijks en ten noorden daarvan getekend, ‘Naenckeduin’, vormde
in 1629 het aanhechtingspunt voor de zanddijk naar Bierland. Waar de dijk vervolgens
naar het zuiden gaat heet hij de Nieuwedijk, die oostwaarts uitgelegd een westelijker
‘oude dijk’ als zeewering was opgevolgd. De Nieuwedijk sloot de Koger
polders Middelkoog, St. Jansland en Everste Koog of ‘Overcooch’ af
van de Walenburger kwelder. De kaart toont twee sluisjes in deze dijk, de Koger-
en Everste-Kogersluis, waarvan de schotten per windas opgedraaid en neergelaten
werden. Op de Nieuwedijk sloten vervolgens langs de zuidzijde van de kwelder
de Nieuwlander- en Ongerendijk aan; via de Wiggerssluis loosde het (niet getekende)
Burger Nieuwland of Polder Raephorst - genoemd naar één der bedijkers
Albert Raephorst - zijn polderwater. De evenmin getekende Wiggerswaal, nu Weegeswaal
genoemd, fungeerde als sluiskolk.
Waar op de dijk een seinpaal is getekend, sloot aansluitend de Waaldam of Bomendijk
de Langewaal af en belette in tijden van stormvloed het over de kwelder opstuwend
water het land bezuiden De Waal te innunderen. Ten noorden van de Waal liep
de dijk over hoger gelegen grond; een schetskaart uit 1518 spreekt daar van
‘hoege gheest’. De Noorderdijk toont ten westen van Oosterend een
groot doorbraakgat, dat met een zeewaarts uitgeslagen bocht, een ‘vingerling’
is gedicht. Landinwaarts staat nog water in een laag en geulvormig gedeelte,
waarvoor huidige kaarten tussen Harkebuurt en Oosterend een niveau van 0,3 m.
beneden NAP aangeven.
Van de noord-oostelijke hoek ‘de Dauck’ zuidwaarts tot waar na 1600
Oudeschild zou ontstaan, is de dijk uit de losse hand met te sterk geaccentueerde
bochten getekend. In het midden van de zestiende eeuw had de dijk reeds het
verloop, dat Oerrit Dirksz. Langedijck bij zijn minutieuze kartering van de
dijken in 1595 in beeld bracht [Alg. Rijksarch. Coll. Hingman nr. 2663. Onze
kaart geeft in de binnenbochten een aantal kwelders weer, die in de opmetingsnotities
van Laurens Pietersz. van 1561 met name zijn genoemd en ook op Langedijck’s
kaart zijn getekend: van noord naar zuid Jacob Conincxlandt, Piethius Grie,
Stans Klaaszn’s Buitengors (in 1595 Thijs Govert’s Grie genoemd) en
enige andere, in 1561 verpachte, maar niet met name genoemde stukken buitendijks
land. De vrij willekeurig getekende bochten in de dijk geven geen mogelijkheid
deze buitengorzen nauwkeurig te plaatsen.
Met de noordelijkste bocht is Dirk Vernouts Horn bedoeld, op welk dijkgedeelte
evenals op de Dauck een groene of aarden dijk reeds vroeg vervangen werd door
een wierdijk, omdat de buitendijkse kwelder daar in het midden van de zestiende
eeuw het eerst verloren ging. De volgende bochten zijn veel te sterk benadrukt,
terwijl ook de landinwaartse bocht benoorden de Lange Waal te diep is weergegeven.
De talrijke walen in de dijk, die bij Langedijck (1595) nauwkeurig zijn geplaatst,
moeten hier eerder de onophoudelijke strijd tegen de zee en de gebrekkigheid
van de dijk aanduiden, dan dat hun plaatsing enig houvast voor reconstructie
zou kunnen bieden. In de tweede helft van de zestiende eeuw namen als gevolg
van de krachtige ontwikkeling van Marsdiep-Texelstroom de klachten over afname
van het buitendijkse land aan de oostzijde van Texel toe, ‘ter oorsaecke
het Maersdiep jaerlycks wijder ende geweldiger werdt ende die vloeden alle jaren
hooger loopen’, d.w.z. meer en meer buitendijks land verloren ging. In
dit dijkgedeelte geeft de kaart een drietal sluisjes te zien, één
in het noorden, de Oostersluis, waardoor de Oosterender polders uitwaterden,
één bij Vernouts Horn en de sluis van de polder Oostegeest, waarop
de polders ten oosten van de Hogeberg afwaterden.
Aan de zuidzijde laat de kaart twee op elkaar aansluitende bedijkingen zien.
De vormgeving is vrij willekeurig en stelt aan de reconstructie grote problemen.
Volgens metingsnotities van Laurens Pietersz. uit 1561 is het poldertje De Grie
of Spanjaardsgrie in 1549 bedijkt, terwijl na de inundatie van de buitenkuil,
die omstreeks 1496-1497 was bedijkt, maar tussen 1514 en 1549 innundeerde, een
gedeelte daarvan in 1551 werd herdijkt. Als het de bedoeling van de kaart was
deze in 1552 nog recente inpolderingen af te beelden, dan is De Grie te groot
getekend en de aanhechting van de Kuildijk aan deze polder in strijd met de
werkelijkheid. Gelet op de ligging ten opzichte van Den Hoorn, de wielen in
de binnendijk en de aanhechtingswijze van de zuidelijke polder, zou de driehoekvormige
polder het oostelijk gedeelte van Zouteland-Buitendijk kunnen voorstellen en
de zuidelijke polder de gezamenlijke Binnen- en Buitenkuil vóór
de inundatie van de laatste polder. In dat geval is dan ook hier teruggegrepen
op een verouderd kaartbeeld.
De wijze waarop aan de zuidzijde van Texel onder invloed van het getijmechanisme
geulen verlanden en Noorderhaaksbanken aan Texel ‘verhelen’ en hoe
op boven zeeniveau oprijzende vloedhaken duinvorming ontstaat, is typerend getekend.
Polder Walenburg
Na octrooiverlening aan Daniel van Nieuwwaal en Jan van Noorden op 12 mei 1436
door Margaretha van Bourgondië, op 12 augustus 1436 bevestigd door Philips
van Bourgondië, werd een poging gewaagd om de zuid-oostelijke hoek van
de Walenburger kwelder onder de naam Schalkwijkerpolder in te dijken. Een dijkrestant
ten westen van de Waal, nog op onze kaart getekend en in 1518 als zodanig genoemd,
Iaat zien wat overbleef van deze poging. Op 4 augustus 1488 breidde keizer Maximiliaan
het octrooi uit met de toevoeging van hoge gronden ten noorden van dit dijkrestant,
de Harde Koog. Met de koop van buitendijkse gronden ten oosten van De Koog verkregen
de nieuwe octrooihouders op 9 aug. 1503 een westelijk aanhechtingspunt om de
afsluitdijk te kunnen leggen, waarvan de kaart eveneens de resten aan weerszijden
Iaat zien. De dijk werd doorbroken door de zware stormvloed van 27 september
1509, maar in 1510 en volgende jaren hersteld. Langdurige processen tussen de
bedijkers en de polderbesturen van het ‘oude land’ van Texel werden
in de jaren 1518 tot 1533 tot in hoogste instantie, de Grote Raad te Mechelen
gevoerd. Tijdens de stormvloed van 2 november 1532, nog voor de laatste en definitieve
uitspraak van de Grote Raad van 22 maart 1533, sloeg de dijk weg en ging de
polder verloren; hij bleef ‘rijdende’ tot 1612. Op 14 maart van dat
jaar werd een nieuw octrooi gegeven, waarna een definitieve bedijking tot stand
kwam.
Het ‘binnenland’
Behalve de Hogeberg zijn er hoegenaamd geen details gegeven, die iets van de
polderstructuur van het eiland laten zien. Het gedicht te doorbraakgat ten noord-westen
van Oosterend is reeds genoemd. Ook de Lange Waal is als water getekend. In
het midden van de zestiende eeuw was deze laaggelegen vlakte geen water als
hier is afgebeeld. Het land behoorde met andere lage, vochtige weilanden tot
de koninklijke domeingoederen, die jaarlijks als hooiland werden verhuurd. Volgens
een notitie in het opmetingsverslag van Laurens Pietersz van 1561 werd o.a.
de Lange Waal door Jan van Beeckesteyn te Amsterdam in 1557 uit de koninklijke
domeinen gekocht en sedertdien verkaveld. Op 27 mei 1626 werd de Lange Waal
in vijf kavels uit de boedel van Maria van Beeckesteyn verkocht. De aanduiding
van de Lange Waal met een zo duidelijk als water bedoeld blauw is óf
een situatie na een inundatie, zoals kennelijk ook oostelijker tussen Oosterend
en Harkebuurt is genoteerd en grijpt dan terug op een oudere opname, óf
het is een vrijheid die de maker van de kaart zich veroorloofde om het verloop
van de Lange Waal en zijn vochtige weilanden extra aan te geven en daarmee in
zijn kaart wat meer kleur aan te brengen.
Ten zuiden van De Koog zijn juist binnen de duinenrij een tweetal duinplassen
getekend, die op kaarten uit de negentiende eeuw nog als het water ‘Alloo’
voorkomen; de naam is op huidige kaarten bij een vochtige plaats genoteerd.
Van Cuyck passeerde op een van zijn tochten ‘over de mient’ naar De
Koog de op de kaart getekende poelen; deze waren in de tweede helft van de achttiende
eeuw duidelijk te zien: ‘op deeze mient zijn twee zeer groote kolken, waarin
veel watergevogelte zijn verblijf houdt...’ [Van Cuyck, 1789].
Dorpen en buurtschappen, kerken en huizen
In de tweede helft van de negende eeuw waren er reeds vier kerken op Texel:
Oosterend, De Waal, Den Burg en De Westen. In de 11e-12e eeuw zijn de houten
parochiekerkjes vervangen door tufstenen kerken, waarvan de resten bij opgravingen
zijn teruggevonden of als te Oosterend gedeeltelijk in de huidige bakstenen
kerk zijn opgenomen. Van deze parochies is De Westen met dorp en kerk verdwenen.
Hierboven is gezegd, dat de afbeeldingen van de kerken de meest gedetailleerde
en betrouwbaarste afbeeldingen op de kaart zijn, die op eigen waarneming moeten
berusten. Dit blijkt uit de vergelijking met bewaard gebleven gegevens over
deze kerken.
De dorpen afzonderlijk
De Westen
Dit dorp was voor de vijftiende eeuw een van de belangrijkste van Texel, maar
ging sedertdien door verstuiving van de duinen in betekenis achteruit. Dit proces
was rond 1500 in volle gang. In 1514 wordt gezegd: ‘ten Westen zijnder
31 haertsteden, die wel plegen te wesen over de 44 haertsteden, alsoe die geheel
verstuven van den sande, ende zijn gescepen geheel vergaen’.
In 1498 waren er ongeveer 200 communicanten, in 1504 150, in 1514 100. Deze
achteruitgang ging vergezeld van een verwaarlozing van het tufstenen kerkgebouw.
Op onze kaart staat de kerk nog in gave toestand met torenspits afgebeeld. De
veronderstelling dat de zadeldakvormige afsluiting van de toren, zoals Pronk
die in 1728 en Tavenier in 1790 tekenden [afgeb. v.d. Vlis, 1949/1976] oorspronkelijk
zou zijn [Ponger, 1942] is niet juist.
Alle 16e-eeuwse kustverkenningen en zeekaarten, o.a. ook Waghenaer in 1584,
die ten doel hadden de schippers bij het naderen van het Marsdiep een zo natuurgetrouw
mogelijk silhouet van dit belangrijke baken te geven, beelden de toren met spits
af, geheelovereenkomstig onze kaart. Kerk en kerkhof zijn hier met een afsluitende
muur omgeven. De verwaarlozing in de tweede helft van de zestiende eeuw, de
vernielingen aan de kerk door watergeuzen in maart 1572 en het achterwege blijven
van herstelwerk, hadden instorting van de oude tufstenen kerk tot gevolg. Na
verzoek om herstel van de als baken belangrijke toren, zegt een inspectierapport
aan Gecommitteerde Raden te Hoorn van oktober 1603 dat de toren zeer vast en
recht is, zonder gebrek, maar dat de leien van de spits ‘geramponeert ende
mette windt gespilt worden’ .De kerk is dan reeds vervallen; alleen de
muren staan nog overeind. Een rapport van augustus 1693 zegt ‘...datter
reparatie aen de spidts van dien toren vereyscht werdende, deselve zeer difficiel
soude vallen’; een inspectie in 1694 bracht aan het licht dat de toren
hersteld was, maar dat ‘den leyedecker van Alckmaer is daer noch besich
met den spits...’ .Blijkens een tekening van Pronk is de torenspits voor
1728 vervangen door een zadeldakachtige afsluiting. In mei 1769 werden vijf
nieuwe zolderingen in de toren aangebracht, trappen en deuren vernieuwd, de
muren met 48 ankers verstevigd, en op de kap nieuwe pannen met cement vastgemetseld.
De hoogte van de toren wordt dan als 28 meter (96 houtvoeten) opgegeven, de
dikte van de muren onder 1,18 m. (4 vt), boven 0.93 m (3¼ vt). Het genoemde
rapport van 1693 leert ons meer over de afmetingen van de oude kerk en toren.
De omloop van de toren was toen zodanig vervallen, dat aan afbraak daarvan werd
gedacht. Onder het motief dat de trans voor zeevaarders een markant herkenningsonderdeel
van de toren was, en dat wacht-doen op de toren in oorlogstijd zeer gevaarlijk
zou worden, besloot men de omloop te herstellen met afbraaksteen uit de tufstenen
muurresten van de kerk. Deze muren hadden een lengte van 25¼ m. (30 vt.).
De torenomloop was ‘wijt twintich voeten in ’t vierkant’: 5,65
m en had een hoogte van 1.10 m. (4 vt.). De kerkmuren hadden een dikte van 55
à 70 cm (2 à 2¼ vt.). De 800 voor reparatie benodigde ‘duyvestenen’,
die uit de vervallen kerkmuren gebikt zouden worden, hadden een gemiddelde maat
van 30 x 15 x 9 cm (1 : ¼ vt:3¼ duim).
In de toren hing op dat moment een klok van 16 à 1800 pond, die alleen
nog gebruikt werd ‘tot het beluyden der doden en wel specialick van die
van de roomsche religie’. Het besluit tot herstel van de toren in 1693
behelsde eveneens de opdracht de klok uit de toren te halen en te verkopen om
daarmee de herstelkosten te financieren. De klok is toen niet verkocht; eerst
op 16 november 1773 verantwoordde ’s Lands Opziener Leendert den Berger
f. 4.- voor het vervoer van de klok naar Hoorn.
De toren is in 1859 gesloopt, het oude kerkhof in 1888 afgegraven. Op de kaart
zijn enkele verspreide boerenhuizen ten noorden en ten zuiden van de kerk afgebeeld.
De huizengroep ten noord-oosten van de voormalige standplaats van de kerk heet
nu De Westen; de huizen ten zuiden van de kerk afgebeeld lagen aan de weg naar
Den Hoorn.
Den Burg
Van het tufstenen zaalkerkje van Den Burg zijn bij opgravingen in 1952 enige
resten teruggevonden [Halbertsma, 1958]. De tegenwoordige bakstenen kerk is
daarvoor in 1452 in de plaats gekomen. De Texelse secretaris Frans Adriaan Valkoog
(tekent: Falckoegh en ook Falckenkoech) noteerde in 1579 dat in 1470 met de
bouw van het koor werd begonnen, dat in 1481 zijn voltooiing vond. Hij tekende
verder aan - in het oudste bewaarde Texelse register - dat in 1539 de spits
van de toren viel. Dit stemt overeen met de tekening van de kerk op onze kaart;
ook een silhouet van de Texelse kust, in een stuurliedenboek van 1579 door Harmen
Jansz. Muller gedrukt, en Waghenaer, in 1584, beelden de toren zonder spits
af. Evenals de kerk van De Westen leed de Burgerkerk in maart 1572 aanzienlijke
schade bij het optreden van de watergeuzen. Daarom werd de kerk ‘op last
van ’t Lant op stutten gestelt’ in 1574. Herstelplannen en verzoek
om subsidie van het gemeneland dateren van 1585, maar toen was het gemeneland
allen bereid een vlakke muur in plaats van het vervallen koor aan de oostzijde
te subsidiëren. Den Burg zou zelf het dak moeten herstellen.
De zaak bleef slepen tot 1593. Gecommitteerde Raden te Hoorn bleken toen bereid
de rechtopgaande oostergevel en het dak te subsidiëren; Den Burg zou zelf
zoveel mogelijk stenen uit het vervallen koor laten afbikken om bij de muuropbouw
weer dienst te doen en zelf houtwerk, glazen en vloer bekostigen. Daar Texel
niet over timmerlieden beschikte die een kostenbegroting konden maken, werden
bestek en begroting opgesteld door een meestertimmerman uit Hoorn en een meestermetselaar
uit Alkmaar. Uit hun berekeningen blijkt, dat de kerk van toren tot koor 37
meter (125 houtvoeten) lang was bij een breedte van 11,25 m. (38 vt). De hoogte
van grondvlak tot de ‘opperste vorst’ van het dak bedroeg 21,30 m.
(72 vt). De nieuwe vlakke gevel aan de oostzijde zou tot de hoogte van de steunbalken
3,5 steen dik zijn en vervolgens tot de vorst 2 steen; tweederde van deze gevel
zou hersteld kunnen worden met steen uit het vervallen koor, de rest moest van
nieuwe steen worden opgetrokken. Acht en veertig staande balken van 6¼ m. lengte
(22 vt) moesten in de kerk worden vernieuwd; ook was herstelwerk aan het ‘gespant’
van het dak en aan het ‘wulffsel an wedersijden’ nodig. Om de kosten
te drukken zou de kerk nog met één vak verkort worden, d.w.z.
de oostelijke muur 4,15 m. (14 vt) naar binnen gezet worden. Om het dak met
nieuwe leien te kunnen dekken zouden 250 planken (wagenschot) nodig zijn. In
november 1601 kwamen een nieuwe vloer en banken in de kerk, in 1604 kreeg de
toren een nieuwe achtkantige torenspits.
De kaart toont ten zuiden van de kerk een groot gebouw, dat gezien de versiering
van toren en dakhoeken met kruizen het begijnenklooster moet zijn. De watergeuzen,
die de kerk zwaar beschadigden, hebben ook een aantal woningen, waaronder het
schoutshuis en het klooster deerlijk gehavend of verbrand.
De Waal
Het oude tufstenen kerkje van De Waal, zoals dat op de kaart is getekend, was
door verwaarlozing in de tweede helft van de zestiende eeuw in vervallen toestand
geraakt. Een inspectierapport van oktober 1602 beschrijft de toren als volgt:
van zwaar steenwerk met een ronde stenen ‘cappe’ (= torenspits). Dit
blijkt ook uit onze kaart. Terwijl de andere dorpskerken met blauwe leien zijn
gedekt, heeft de torenspits van De Waal geen kleur. Volgens het rapport waren
de zware binten van de kerk, die in de torenmuur waren verankerd, over een lengte
van 15 m. (50 vt) in de kerk neergestort, ‘waerdoor de toren seer geswact
is’. Met storm ‘schudt ende beroert deselve als hebbende geen hulp
van voorsz. kercke, de toren hangende oostwaerts over’. De kerk zou alleen
te redden zijn als men de binten herstelde en de gevel dichtmaakte. In november
1603 besloten Gecommitteerde Raden drie torens op Texel, De Waal, Den Hoorn
en De Westen te doen herstellen. Gezien het belang voor de scheepvaart zou het
Gemeneland de helft van de benodigde f. 2500,- en de Admiraliteit de andere
helft betalen. Voor aanvullend herstel werden in de 17e eeuw herhaaldelijk subsidies
verleend in de vorm van uitkeringen uit de belastingen op de bieromzet. In de
tweede helft van de achttiende eeuw beschreef en tekende Van Cuyck het herstelde
kerkje: ‘het kerkje, hetwelke ik een kapelletje zoude noemen, omdat het
geen choor heeft, schijnt vrij oud te zijn, dewijl er duifsteen aan is...’
In de tweede helft van de negentiende eeuw is een nieuw kerkje gebouwd, dat
in het voorjaar van 1945 door oorlogshandelingen is verwoest.
De straatweg, waarlangs ter weerszijden en beoosten de kerk de huizen staan,
buigt zuidwaarts naar de Oosterenderweg, terwijl ten zuiden van de kerk een
dijkje bij doorbraak van de Walerdam bescherming moest bieden. Het eenvoudig
dorpsplan van de kaart is in het huidige stratenplan terug te vinden. Ten oosten
van De Waal geven een molen en enkele verspreide huizengroepen kennelijk de
buurtschappen Molenbuurt en Spang aan.
Oosterend
Het 11e-12e eeuwse tufstenen zaalkerkje, waaraan iets later een toren is toegevoegd,
heeft nog restanten nagelaten in de laat-gothische verbouwing en uitbreiding,
waarbij een nieuw koor en twee dwarsschepen uit baksteen zijn toegevoegd. Van
de tufstenen toren is het bovenstuk in baksteen hernieuwd. Op de kaart is de
laat-middeleeuwse kerk met de twee dwarsschepen duidelijk herkenbaar.
Blijkbaar hebben de watergeuzen in 1572 ook deze kerk beschadigd. Dirk Burger
van Schoorel vertelt daarover dat het beeld van St. Maarten door een gat in
de muur, ‘agter in de kerk’ geslagen, naar buiten werd gestoken en
achter de kerk verbrand: ‘doen het beeld verbrande, knipte en kraakte hetzelve
wakker, gelijk wel meer het hout doet, wanneer hetzelve met verbrande materie
is overstreeken; dit wierde van de roomsgezinde voor een mirakel gehouden’.
Door subsidiëring uit de bierbelasting kon evenals bij De Waal de kerk
in 1605 en volgende jaren worden hersteld, - terwijl in dezelfde tijd de toren
voor rekening van gewest en admiraliteit, als belangrijk baken voor de vaart
uit de Zuiderzee naar de ree van Texel, werd hersteld. In de zomer van 1786
vonden omvangrijke reparaties aan de toren plaats, waarvoor hout uit Enkhuizen
en scheepsladingen Friese steen uit Harlingen werden aangevoerd. In de huizen
en buurtjes ten oosten van het dorp vinden we Oost en Zevenhuizen aangeduid,
terwijl het noordelijkste huis aan de dijk de steenoven voorstelt, die in grafelijke
opdracht van 1367 ter plaatse werd gebouwd. De oven staat duidelijk afgebeeld
en genoemd (stienoven) op een kaart van Pieter Bruynsz. uit 1594 [Alg. Rijksarch.
Coll. Hingman nr. 2662]. Of de oven toen nog als zodanig in gebruik was kan
worden betwijfeld, want volgens de kaart van Oerrit Dirksz. Langedijck uit 1595
[idem, nr. 2663] was in de oude steenoven een zoudziederij gevestigd: ‘soutkeet’.
De Koog
Het dorp De Koog, een laat-middeleeuwse vestiging, telde in 1514 140 huizen.
De inwoners leefden vooral van visserij; mede uit heffingen daarop onderhielden
zij de dorpskerk. Dit kerkje had geen kerktoren, maar een losstaande klokkestoel.
Op de kaart is, hoewel enigszins beschadigd, aan de noordmuur van het kerkhof
de klokkestoel naast de kerk te herkennen. De plaats van het kerkje is in het
zuiden van het huidige dorp terug te vinden als het ronde ‘oude kerkhof’,
de straat waarlangs de vissershuizen ter weerszijden in een west/oost-rij zijn
getekend, is in de dwarsweg ten zuiden van de huidige kerk herkenbaar.
Ook deze kerk werd in 1572 door de watergeuzen geplunderd; mogelijk is daarbij
de oude klokkestoel vernield, want in 1592 moesten regenten van De Koog zich
o.a. verantwoorden voor de bouw van een nieuwe. Hun beleid was in de ogen van
Gecommitteerde Raden te Hoorn te nonchalant geweest, heffingen op opbrengsten
van gedroogde schol en ‘godsgelden’ geheven van de vissersschuiten
ten bate van de kerk waren niet afgedragen. De administratie over verkoop van
kerkelijke landerijen en de bouw van de nieuwe klokkenstoel moest worden verantwoord:
‘van alle kerkelijke landen en tuinen zedert desen oorloge vercoft, mitsgaders
van de oncosten van ’t voorsz. klockhuys’.
In 1699 kreeg het oude kerkje nog een nieuwe vloer van blauwe gebakken stenen,
maar in juni 1719 droegen Gecommitteerde Raden hun opziener Pieter Muller de
bouw van een nieuwe kerk op, die noordelijker in het dorp werd geplaatst. In
augustus 1719 moest de predikant toezicht op de bouw houden bij afwezigheid
van Muller; volgens opgave van de baas-metselaar was de kerk in december gereed
en verrichtte Muller de afschouw. Een muursteen draagt het jaar 1719. Van dit
kerkje is in april 1786 de vloer vernieuwd met 1200 zevenduims ‘blauwe
zoore teegels’, werden de pannen met cement vastgezet en het ‘omschot’
van het torentje geverfd. De oude kerkklok bleek in 1792 gebarsten te zijn;
een nieuwe werd voor f. 320,- aangeschaft, de oude verkocht voor f. 160,-. Van
Cuyck maakte in de tweede helft van de achttiende eeuw een duidelijke tekening
van het kerkje en schreef: ‘oude lieden weeten bij overlevering, dat het
dorpje zich heeft uitgestrekt tot de oude kerk, welke nu afgebroken, en uitwijzens
de afbraak en het kerkhof, slegts klein geweest is; ik heb het dorpje van die
zijde getekent; de tegenwoordige kerk heeft een houten torentje...’ Op
onze kaart blijkt ook De Koog in de zestiende eeuw een eigen standaardkorenmolen
rijk geweest te zijn.
Den Hoorn
Het vissersdorp Den Hoorn is op de huidige plaats gebouwd, nadat in 1398 hoekse
benden een oudere nederzetting - iets zuidelijker aan het toenmalige Marsdiep
gelegen - hadden verwoest. Langedijck geeft op zijn kaart van 1595 de plaats
nog slechts met een naam aan ‘den ouden Hoorn’; resten zijn bij opgraving
ter plaatse gevonden. Oorspronkelijk behoorde Den Hoorn kerkelijk onder De Westen;
de onder die parochie ressorterende kapel te Den Hoorn werd in 1514 tot zelfstandige
parochiekerk verheven. Bij de meting van Texel in 1561 bezigt Laurens Pietersz.
nog de oude benaming: kapel Den Hoorn. Het opkomend Den Hoorn, relatief welvarend
door visserij en loodsdiensten voor de passage van het Marsdiep kon zich de
bouw van een toren veroorloven. Volgens een opmeting van 1783 was de toren niet
geheel vierkant maar 4,45 X 5,30 m. (15 x 18 vt.). Den Hoorn overvleugelde De
Westen en had in 1514 140 huizen tegenover het moederdorp 31; het was toen al
een ‘gasthuis’ of ‘heiligegeesthuis’ rijk. Dit huis, ook
door Laurens Pietersz. in 1561 vermeld, staat op de kaart ten oosten van de
kerk afgebeeld. De huizenbocht op de kaart ten noord-oosten van de kerk getekend
en het rijtje aan de weg naar De Westen zijn door nieuwbouw ten zuiden en oosten
van de kerk vervangen.
Van Cuyck vond rond de kerk nog ‘eenige ellendige en zeer oude huisjes’.
In de Franse tijd zijn daar nogal wat oude huisjes afgebroken.
In 1572 hebben de watergeuzen ook hier huisgehouden. Het is waarschijnlijk,
dat zij het ook hier vooral op het koorgedeelte van de kerk hadden voorzien.
Het gewestelijk bestuur wees in juli 1593 een verzoek om subsidie voor kerkherstel
af. Den Hoorn moest dit zelf financieren. Waarschijnlijk is toen het beschadigde
koorgedeelte, waarvan bij opgravingen fundamentresten zijn gevonden, buitengesloten
en de kerk met een vlakke muur gedicht. Een verzoek om herstel van de toren
in september 1602 werd wel in overweging genomen. Bij de inspectie van oktober
1603 bleek de toren vast, vierkant en deugdelijk aan de kerk ‘verheelt’
te zijn, maar de ‘cappe ofte spitse’ had alle leien verloren; de kerk
bleek in goede staat en dicht te zijn. In 1624 werd de toren op ’s Lands
kosten gerestaureerd, in 1649 zijn de muren met ankers versterkt.
Een uitvoerige reparatie van de toren volgde in 1783, waarbij het gemeneland
slechts het gedeelte financierde dat boven het kerkdak uitstak, namelijk 7 meter
toren (24 vt.). De achtkante spits werd met nieuwe leien gedekt. Het dorp had
blijkens de kaart benoorden het dorp een eigen korenmolen. Het oude baken ten
noord-westen van Den Hoorn diende in het midden van de zestiende eeuw de eerste
nadering van het Landsdiep van Texel of Schettersgat mogelijk te maken; vervolgens
konden de schippers zich oriënteren op de ton en beide zuidelijke kustbakens.
De kapel op de Hogeberg
De kaart toont op de Hogeberg een kapel met een torentje en een ommuurd kerkhof.
Secretaris Frans Valkoog (1579) zegt daarover: ‘In ’t jaer ons Heren
MIIIIC ende L XXXI doe worde Hogeberch geslecht tot een kerckhoff ende werd
daer een capel op gemaeckt’. In het jaar daarop werd daags voor Allerheiligen
de eerste mis in de kapel opgedragen. Uit de verhuur van landerijen in de polders
De Hal, Oostegeest en Waddel werd het onderhoud van deze St. Catharinakapel
bekostigd, zoals uit metingen van Laurens Pietersz. in 1561 bleek. De watergeuzen
verbrandden volgens eigentijdse berichten een huis bij de Hogeberg, maar waarschijnlijk
richtten zij ook vernielingen aan in de kapel. Pieter Bruynsz. tekent in 1594
op zijn kaart de kapelruïne, de nog staande muren van het torentje en de
kapel zonder dak. Gerrit Langedijck had op zijn kaart van 1595 geen aandacht
voor de ruïne maar wel voor de galg die op de top van de Hogeberg prijkte.
Van Cuyck (1789) tekende in de tweede helft van de achttiende eeuw op de Hogeberg
‘Het Hogerhuys’.
